omeros/boek1.md
Sander Hautvast de38f188aa bladzijde 5
2022-07-16 18:43:04 +02:00

79 lines
2.9 KiB
Markdown

**Boek 1**
**Hoofdstuk 1**
"Dus zó, op een morgen, sneden we die kano's."
Philoctète glimlacht naar de toeristen, die proberen
zijn ziel met camera's te vangen. "Als de wind nieuws brengt
naar de _kaneel laurieren_, trillen hun bladeren
het moment dat de bijl van zonlicht de ceders raakt
omdat ze de bijl in onze eigen ogen zagen.
Wind, hef de varens. Ze klinken als de zee die ons voedt,
ons leven als vissers. En de varens knikten: 'Ja,
de bomen moeten dood.' De vuisten in de zakken,
want de hoogten waren fris en onze adem maakte veren
als de mist, we delen de rum. Eenmaal terug,
gaf het ons de geest in moordenaars te veranderen.
Ik hef de bijl en bid om kracht in mijn handen
om de eerste ceder te raken. Dauw vult mijn ogen,
maar ik vuur nog een witte rum. Vooruit dan."
Voor wat extra zilver, onder een zee amandel
toont hij een litteken door een roestig anker,
rolt één broekspijp op met de rijzende klacht
van een schelp. Het is gerimpeld als de corona
van een zeeëgel. Hij zegt niet hoe het geheeld is.
"Het heeft die dingen" - hij glimlacht - "meer waard dan een dollar."
Hij liet het aan de kletsende waterval
om zijn geheim te te schenken aan La Sorcière , sinds
de hoge laurieren voor de roep van de duif vielen.
om zijn zang te geven aan de blauwe stille bergen
waar praatgrage stroopmjes dragen het naar de zee
in stilstaande poelen waar voorntjes doorheen schieten
en een reiger rietstengels kruist met een roestige kreet
de modder steekt en steekt een voet geheven
Dan wordt de stilte doormidden gezaagd door een waterjuffer
als alen hun naam schrijven in het heldere zand
waar de zon de rivier zijn herinnering beschijnt
en golven grote varens knikken naar de zee zijn zang.
Hoewel vuur de aarde vergeet van waar het oprijst,
en netels de holen bedekken waar de laurieren vielen,
hoort de leguaan de bijlen, wolk in de ogen
op zijn verloren naam, toen het kruipende eiland
"Iounalao" heette, "Waar de leguaan woont."
Maar, hij neemt zijn tijd, de leguaan klimt
in het scheepstuig van klimop, keelzak opgezet,
schouders in de zij, zijn eigenwijze staart
bewegend met het eiland. De gespleten peulen van zijn ogen
gerijpt in een slaap die eeuwen duurde,
die opklom met de rook van de Arowakken, tot een nieuw ras
ongekend door de hagedis, de bomen stond op te meten.
Dit waren de zuilen die vielen, een blauwe ruimte
voor een nieuwe God, waar de oude goden stonden.
De eerste god was een gomboom. De generator
begint met gejammer, en een haai die de kaak opzij heeft
joeg de snippers als makrelen over het water
in de trillende planten. Nu zetten ze de zaag stil,
nog heet trillend om de verse wond te bekijken.
Ze schraapten de mossige woekeringen weg, en trokken
de wond vrij van het bladernet waarmee het verbonden was
met deze aarde, en knikten. De generator sloeg
aan het werk en de snippers vlogen nog sneller en
de haaietanden beten gelijkmatig. Ze sloten de ogen.