31 lines
1.2 KiB
Markdown
31 lines
1.2 KiB
Markdown
Achille piste in het donker, sloot toen de onderdeur.
|
|
Hij was roestig van de zeebries. Hij tilde de vispan
|
|
met de krab van een hand; in een hol onder de hut
|
|
|
|
verborg hij de betonnen stap. Terwijl hij de opslag naderde,
|
|
zoutte de ochtendbries hem lopend door de grijze straat
|
|
langs slaapvaste huizen onder natrium stroken
|
|
|
|
van straatlampen, naar het droge asfalt dat zijn tenen schraapte
|
|
telde hij de blauwe vonken van enkele sterren.
|
|
Bananenblad knikte naar de golvende
|
|
|
|
woede van hanen, hun kreten krijtend als rode kalk
|
|
die heuvels op een bord tekent. Als zijn leraar, wachtend,
|
|
schuurde de branding zijn vaste tred.
|
|
|
|
Toen ze elkaar zagen bij de muur van het betonnen kot
|
|
was de morgenster teruggestapt, haatte de geur
|
|
van netten en visdarm; het licht was hard van boven
|
|
|
|
en er was een horizon. Hij legde het net bij de deur
|
|
van de opslag en waste zijn handen in de bak.
|
|
De branding verhief zijn stem niet. Zelfs de magere honden
|
|
|
|
rond de kano's waren kalm. Een fles absinthe
|
|
ging rond bij de vissers, maakten smakkende geluiden
|
|
en schudden door de bittere bast waarvan het gebrouwen was.
|
|
|
|
Dit was het licht waar Achille gelukkig in was.
|
|
Als, voordat hun handen de boorden vastpakten, ze voor
|
|
de zee wijdsheid stonden, klaar voor de dag.
|