This commit is contained in:
Sander Hautvast 2022-08-29 21:37:05 +02:00
parent ec054261a7
commit 68781ab983
8 changed files with 435 additions and 8 deletions

View file

@ -1,17 +1,20 @@
**Boek 1** **Boek 1**
**Hoofdstuk 1** **Hoofdstuk 1**
deel 1
"Dus zó, op een morgen, sneden we die kano's." "Dus zó, op een morgen, sneden we die kano's."
Philoctète glimlacht naar de toeristen, die proberen Philoctète glimlacht naar de toeristen, die proberen
zijn ziel met camera's te vangen. "Als de wind nieuws brengt zijn ziel met camera's te vangen. "Als de wind nieuws brengt
naar de _kaneel laurieren_, trillen hun bladeren naar de _laurier-canelles_, trillen hun bladeren
het moment dat de bijl van zonlicht de ceders raakt het moment dat de bijl van zonlicht de ceders raakt
omdat ze de bijl in onze eigen ogen zagen. omdat ze de bijl in onze eigen ogen konden zien.
Wind, hef de varens. Ze klinken als de zee die ons voedt, Wind, hef de varens. Ze klinken als de zee die ons voedt,
ons leven als vissers. En de varens knikten: 'Ja, ons leven als vissers. En de varens knikten: 'Ja,
de bomen moeten dood.' De vuisten in de zakken, de bomen moeten dood.' De vuisten strak in de zakken,
want de hoogten waren fris en onze adem maakte veren want de hoogten waren fris en onze adem maakte veren
als de mist, we delen de rum. Eenmaal terug, als de mist, we delen de rum. Eenmaal terug,
@ -27,18 +30,18 @@ rolt één broekspijp op met de rijzende klacht
van een schelp. Het is gerimpeld als de corona van een schelp. Het is gerimpeld als de corona
van een zeeëgel. Hij zegt niet hoe het geheeld is. van een zeeëgel. Hij zegt niet hoe het geheeld is.
"Het heeft die dingen" - hij glimlacht - "meer waard dan een dollar." "Er zijn dingen" - hij glimlacht - "meer waard dan een dollar."
Hij liet het aan de kletsende waterval Hij liet het aan de kletsende waterval
om zijn geheim te te schenken aan La Sorcière , sinds om zijn geheim te te schenken aan La Sorcière , sinds
de hoge laurieren voor de roep van de duif vielen. de hoge laurieren voor de roep van de duif vielen
om zijn zang te geven aan de blauwe stille bergen om zijn zang te geven aan de blauwe stille bergen
waar praatgrage stroopmjes dragen het naar de zee waar praatgrage stroopmjes het dragen tot bij de zee
in stilstaande poelen waar voorntjes doorheen schieten in stilstaande poelen waar voorntjes door schieten
en een reiger rietstengels kruist met een roestige kreet en een reiger rietstengels kruist met een roestige kreet
de modder steekt en steekt een voet geheven de modder steekt en steekt een voet geheven.
Dan wordt de stilte doormidden gezaagd door een waterjuffer Dan wordt de stilte doormidden gezaagd door een waterjuffer
als alen hun naam schrijven in het heldere zand als alen hun naam schrijven in het heldere zand

81
boek1_hoofdstuk1_deel2.md Normal file
View file

@ -0,0 +1,81 @@
deel 2
Achille keek op van het gat dat de laurier achterliet.
Hij zag het gat zacht helen met het schuim
van een wolk als een breker. Toen zag hij de vlugge zwaluw
surfend over de branding-wolk, een klein ding, ver van huis,
verward door de golvende blauwe heuvels. Een doornstruik
greep zijn hiel. Hij rukte zich los. Om hem heen werden meer schepen
gevormd door de zaag. Met zijn kapmes maakte hij
vlug een kruis, zijn duim raakte zijn lippen
terwijl de bijlen de hoogte in rinkelden. Hij zwaaide het ijzer,
en hakte de armen van de dode god, knoest na knoest,
wrikte de aders los van de stronk terwijl hij bad:
"Boom! Jij kunt een kano zijn. Of anders kun je het niet!"
De bebaarde ouderen verdroegen de decimatie
van hun volk zonder een woord te uiten
in de taal die ze spraken als één natie,
de taal die ze hun jonge scheuten leerden: van gebabbel in de torens
van de ceders tot groene klinkers van de _bois-campēche_.
De _bois-flot_ hield zijn mond net als de _laurier-cannelle_,
de roodhuidige _logwood_ verdroeg de doorns in zijn vlees,
terwijl het Arowakse dialect krakeelde in de geur
van een harsig kampvuur dat de bladeren bruin kleurde
met krullende tongen, dan as, en hun taal ging verloren.
Als barbaren die over de zuilen stappen die ze gevloerd hebben
schreeuwden de vissers. De goden waren eindelijk gevallen.
Als dwergen hakten ze de stammen van gerimpelde reuzen,
voor peddels en riemen. Ze werkten met dezelfde
concentratie als een leger vuurmieren.
Maar woedende muggen, kwaad door de rook
voor het onteren van hun bos, bleven Achille steken.
Hij wreef rum op zijn polsen opdat ze
platgeslagen tot sterren tenminste dronken zouden sterven.
Ze gingen voor zijn ogen. Omsingelend in een aanval
die hem tot blinde tranen dreef. Hij trok zich terug
naar de hoge bamboe als de Arowak schutters
vluchtend voor de musketten van krakende stammen
geleid door het vuur en de woedende bijl
die hakt op de takken. De mannnen bonden de dikke stammen eerst
met verse hennep en rolden ze als mieren naar een klif
om langs de hoge netels neer te storten. Ze kregen die dorst
naar de zee vanwaar hun bebladerde lijven waren geboren.
Nu ploegden in hun haast om kano's te worden
de stammen door golfbrekers van struiken, en maakten gaten
van keien, ze voelden geen dood in zichzelf, maar nut -
de zee te bedekken, rompen te zijn. Dan, op het strand, kregen ze
houtskool in hun holtes, uitgehakt door houwelen.
Een oplegger had hun gebonden lijven gedragen.
Het smeulende houtskool doorboorde dagenlang de korjalen
totdat de hitte het hout wijd genoeg had gemaakt met spanten en boorden.
Onder zijn kloppende beitel voelde Achille hun holtes
ademen om de zee te voelen, reikend naar de waas van
vogels op een zandbank, de snavels van hun gekliefde boegdelen.
Toen paste alles. De bootjes kropen over het zand
als honden met een tak in de bek. De priester
besprenkelde hen met een klok. Toen maakte hij het zwaluwteken.
Toen hij lachte om Achilles kano, _In God we troust_,
Zei Achille: "Laat het! Het is God's spelling en de mijne."
Na de mis, op een morgen, enterden de kano's de laagten
de ondieptes in koorhemd en hun knikkende korjalen
kwamen overeen met de golven hun leven als boom te vergeten;
één diende Hector, een ander Achilles.

31
boek1_hoofdstuk1_deel3.md Normal file
View file

@ -0,0 +1,31 @@
Achille piste in het donker, sloot toen de onderdeur.
Hij was roestig van de zeebries. Hij tilde de vispan
met de krab van een hand; in een hol onder de hut
verborg hij de betonnen stap. Terwijl hij de opslag naderde,
zoutte de ochtendbries hem lopend door de grijze straat
langs slaapvaste huizen onder natrium stroken
van straatlampen, naar het droge asfalt dat zijn tenen schraapte
telde hij de blauwe vonken van enkele sterren.
Bananenblad knikte naar de golvende
woede van hanen, hun kreten krijtend als rode kalk
die heuvels op een bord tekent. Als zijn leraar, wachtend,
schuurde de branding zijn vaste tred.
Toen ze elkaar zagen bij de muur van het betonnen kot
was de morgenster teruggestapt, haatte de geur
van netten en visdarm; het licht was hard van boven
en er was een horizon. Hij legde het net bij de deur
van de opslag en waste zijn handen in de bak.
De branding verhief zijn stem niet. Zelfs de magere honden
rond de kano's waren kalm. Een fles absinthe
ging rond bij de vissers, maakten smakkende geluiden
en schudden door de bittere bast waarvan het gebrouwen was.
Dit was het licht waar Achille gelukkig in was.
Als, voordat hun handen de boorden vastpakten, ze voor
de zee wijdsheid stonden, klaar voor de dag.

65
boek1_hoofdstuk2_deel1.md Normal file
View file

@ -0,0 +1,65 @@
I
Hector was er. Theofile ook. In dit licht,
hebben ze alleen christelijke namen. Placide, Pancreas,
Chrysostom, Maljo, Philoctète, met zijn hoofd wit
als gekrulde branding. Ze verscheepten riemen als lansen,
plaatsen ze parallel in het graf van de scheepsboorden
als man en vrouw. Schepten het vieze blad van de planken,
openden knopen van de lichamen van meelzak zeilen,
terwijl Hector, aan de vloedlijn, kort dank zei
met de zee als doopvont, voordat hij heupdiep, erin waadde.
De rest liep op het strand met gelijke tred
behalve schuimharige Philoctète. De wond op zijn scheen
nog ongeheeld, als een stralende anemoon. Het was
van een schrapend, roestig anker. Het puntige ijzer
sneed zijn huid in een golfslag. Hij boog naar het schuim
druppelde er sisselend zout op. Hij zou weer rennen
strompelend naar de zinloze schaduw van een amandel,
met de tanden op elkaar, zwaaide ze uit in de schaamte
van zijn stank, en wéér lieten ze hem achter
onder het luipaarden licht. Deze morgen gebeurde
dezelfde gedoe weer opnieuw. Hij voelde de jaap draden
trekken tot in zijn kruis. Met zijn hinkelende stap
hand op één knie, verliet hij het gedrukte strand
en klauterde de vroege straat naar Ma Kilman's bar.
Ze opende de winkel en zette de witte rum bij de hand.
Zijn scheepsmaten zagen hem, haakten toen hun handen als ankers
onder de romp, wiegden ze; de kiel schuurde door droog zand
totdat nat zand hem stopte. De riemen deed ratelen
die parallel midscheeps lagen; dan, op het geluid
van vloeken en gebeden voor de stammen in de vorm van een wig
de één na de ander, met rammelende botten
gleden de boten naar de knabbelende waterlijn
richting de geopende zee. De losse stammen tuimelden
in de branding, gesneuveld als strijders in een strijd
ergens aangespoeld op de overkant van de wereld.
Gedragen naar een plek onder de manzanilla's
lagen ze gezicht naar boven, de zon bewoog over hun ogen
met de blik van myrmidonen, aan de hiel weggesleept
hoog boven de waterlijn waar de spookkrab schuilt.x
De vissers veegden hun handen. Nu bereden alle kano's
de roze golf van de morgen. Ze neigden hun boegen
zachtjes, zoals staljongens met paarden doen bij zonsopgang,
trekkend aan de lijnen als teugels aan de neus gehaakt -
_Prijs Hem, Morgenster, St. Lucia, Licht van mijn ogen_,
Gooiden een hoosblik erin en vouwden hun lijven over de
dansende rompen, en roeiden, één riem lichtjes naar achter.
Hector ontrolde zijn canvas om in te lopen op
de meeuwen, hopend op terugkeer vóór die schelpkleurige
schemer, wanneer de pelicanen laag overvliegen.

89
boek1_hoofdstuk2_deel2.md Normal file
View file

@ -0,0 +1,89 @@
II
In het haldfuister stond Seven Seas op en maakte koffie
Zonlicht was bezig de ring van de horizon te verwarmen
en wolken rezen als broden. In de hitte van de
gloeiende ijzeren roos schoof hij de pan op de
ring en zette hem vast. De pan trilde
door het gewicht van het water, kwam toen tot rust.
Zijn ketel lekte. Tastend greep hij de ijzeren stoel en nam
plaats naast de pan, om te horen als het borrelde.
Het zou koken, maar niet gillen als de scheepsfluit
om te zeggen dat het klaar was. Hij hoorde de hond
janken onder de planken van zijn huis, zijn staart
kloppen de deur, maar hij benijdde de korjalen
nu al mijlen ver op zee. Nu hoorde hij de eerste bries
over de bladen van de zeeamandel spoelen. Vanacht was er
een volle maan, wit als zijn bord. Hij zag met zijn oren.
Hij warmde op met de daken in de klimmende zon.
Sinds de ziekte zijn zicht had vernietigd,
zonsondergang de zee de hand schudde voor het laatst -
en een inwaarts duister groeide waar de maan en de zon
onmerkbaar verschilden - hij bewoog op een zesde zintuig
zoals de maan zonder secondewijzer,
schoongeveegd als het bord dat hij nu waste
terwijl de pan borrelde; blindheid was niet het einde.
Het was geen strandpalm als zonnewijzer op het middaguur.
Hij voelde de zon kruipen over zijn polsen
Het bewoog als een kat langs de hekken
van een zandweggetje. Hij voelde het loskomen
van de broodvruchtboom in zijn tuin, langs het hekwerk
van de korte ijzeren brug als een harp, zijn stralen
rimpelend in het water. Hij zag de lagune
achter de kerk en erin, een vastgezet bekken,
een roestig emaillen beeld van de maan.
Hij draaide de lichtkrans uit onder de pan.
De hond krabbelde aan de keukendeur, wilde erin,
maar hij liet hem wachten. Hij trommelde op de keukentafel
met zijn vingers. Ruziende merels aan het ontbijt.
Behalve één hand zat hij doodstil,
met zijn ei-witte ogen, vingers gravend in het verleden
van een andere zee, gemeten met roeispanen.
O open deze dag met het geluid van de zeeschelp, Omeros,
zoals je deed in mijn jeugd, toen ik een woord was
zacht uitgeademd langs de tong van het zonlicht.
Een leguaan op een zeedam wierp zijn vraag op
voor de wakende zee en een net van gouden mos
lichtte het rif op, dat de zeilen van de verre kano's
ontweken. Alleen in jou, door de eeuwen
van de perkamenten zeekaart, kan ik het geluid vangen
van de vloedlijn die schuifelt als de vacht
van de kudde bij de vuurtoren, die Cycloop met zijn blinde oog
gesloten voor zonlicht. Toen waren de kano's galeien
waarover een fregat langzaam zijn afgekapte vleugels bewoog.
In jou raadden de zaden van grijze amandelen de vorm van de boom
en de druivenbladeren roestig als gekartelde eilanden,
en de blinde vuurtoren, die de rand van de kaap voelde,
een stilstaande reus, een marmeren wolk in de hand,
klaar om de rots uiteen te laten spatten in stralende
sterren; toen haalde een zwarte visser, met gestoppelde kin
ruw als een zeeëgel, zijn meelzakken
zeil op een bamboe paal en zocht de openingszin
van onze epische horizon; nu kijk ik terug
naar rotsen die hun voet zien, als licht de golven vangt
en holle bomen uitvaren met ebbenhouten kapiteins,
want het was jouw licht dat onze werven beroerde,
waar schoeners ijdel afgemeerd lagen aan kaapstanders.
Een windvlaag bladert de havenboeken terug naar de stem
die humde in de vaas van de keel van een vrouw: "Omeros."

57
boek1_hoofdstuk2_deel3.md Normal file
View file

@ -0,0 +1,57 @@
III
"Omeros," lachte ze. "Zo noemden we hem in het Grieks,"
zijn kleine buste strelend, met de gebroken neus als een bokser,
en ik dacht aan Seven Seas, die in de stank
van drogende visnetten de klank van het strand beluisterde.
Ik zei: "Homeros en Vergilius zijn boeren uit New England",
en het gevleugelde paard bewaakt hun pompstation, inderdaad."
Ik aaide een arm en voelde de blik van het schuimende hoofd
koud als het marmer en haar schouders in het winterlicht
in de zolderkamer. Ik zei "Omeros,"
en _O_ was de roep van de karko, de zeeschelp, _mer_ was
moeder en zee in ons Antilliaanse patois,
_os_ een grijs bot, en de witte branding die breekt
en een schuimkraag verspreidt op een kust van kant.
Omerois was de krak van droog blad en het sissen
dat echode uit een grotmond bij eb.
De naam bleef in mijn mond, ik zag het licht in een web
op haar aziatische wangen, dat haar ogen tekende
met de omtrek van een zwarte amandel. Antigone draaide zich om
en zei: "Ik ben moe van Amerika. Ik wil terug naar
Griekenland. Ik mis mijn eilanden." Schrijf ik. Het brengt
de manier terug waarop ze haar zwarte golf van haar schudde.
Ik zag de branding kanten patronen prenten
op de kust van haar nek en de neerwaartse stroompjes
van zijde gekruld aan haar enkels. Als branding zonder geluid
en voelde een ander koud beeld, niet het hare maar die van jou
zag dit met amandelpitten als ogen, zijn gebroken neus
is afgewend, en de ruisende zijde stemt in.
Maar als het tussen de regels kon lezen van haar vloer
als een wit heet dek, verweerd door Antilliaanse hitte,
naar het duister ertussen, zou zijn neus schroeien
door de stank van geketende enkels, de geboeide voeten
schrapend als bladeren en misschien zou het onschuldige marmer
zijn witte pitten afgewend hebben. De afstand vergroten
tussen zijn mond en de horror onder haar tafel
voor de lier op de stoel gehuld in een witte tuniek
om te doen wat het verleden altijd doet: lijden en staren.
Ze lag kalm als een haven en een wolk bedekte haar
met mijn schaduw. Toen verscheen langzaam een boeg
met geschilderde ogen uit de geurige regen van zwart haar.
En hoorde ik de holle klank geblazen uit een vaas,
niet voor koningen, struikelend in sperenregens;
kortaf proza van vissers, vloekend over hun kano's.

50
boek1_hoofdstuk3_deel1.md Normal file
View file

@ -0,0 +1,50 @@
I
_"Touchez-i, encore: N'ai fendre choux-ous-ou, salope!"_
"Doe dat nog eens en ik trap je kont, bitch!"
_"Moi, j'a dire-'ous pas prêter un rien. 'Ous ni shallope,
'ous ni seine, 'ous croire 'ous ni choeur campêche?"_
"Ik zeg je, leen niets van mij. Je hebt een kano
en een net. Wie denk je dat je bent? Koning hardhout?"
_"'Ous croire 'ous c'est roi Gros-Îlet? Voleur bomme!"_
"Je denkt dat je koning Gros-Îlet bent? Blikkendief!"
Dan in het Engels: "I go show you who is king! Come!"
Hector stapte uit de schaduw. En Achille, het
moment dat hij het kapmes zag, een gek,
een gestoorde, verteerd door jaloezie, zette het blikje
dat hij uit Hector's korjaal had geleend netjes terug in de boeg
van Hectors boot. Daarna veegde Achille die genoeg had van
deze idioot zijn eigen mes af en zwaaide ermee.
Nu verschenen de dorpelingen uit de groene schaduw
van amandelen en lobbige manzanilla bladeren
voor het duel dat Hector wilde. Achille liep weg en wachtte
naast het lauwe water. Hector beende op hem af.
De dorpelingen volgden. De branding verstomde
ineengedrongen van angst aan de rand van het strand.
Toen regende het ver op zee in een glinsterende bui
pijlen vanuit de smaragdgroene golfbreker
van het rif, de schachten vlogen met duidelijke kracht
in de zon en daarachter, klaar voor de slachting
stonden schreeuwende dorpers, een golf van geluid,
armen in de lucht richting het licht. Hector rende plenzend
door de kreken en de regen naar Achille
zijn kapmes geheven. De woedende branding kraste
met zijn staart als een briesend hondengevecht. Een man
doodt uit woede zelfs zijn eigen broer, maar de gestoorde
die Achilles shirt van zijn schouder scheurde
verscheurde ook zijn hart. De woede die hij voor Hector voelde
was schaamte. Om elkaar te lijf te gaan om een hoosblik
volkomen bedekt met roest. Het duel van deze vissers
ging over een schaduw, en die heete Helena.

51
boek1_hoofdstuk3_deel2.md Normal file
View file

@ -0,0 +1,51 @@
II
Ma Kilman had het oudste café in het dorp.
Het balkon van een gemberkoekhuis had een mosterdkleurige gevel
met een groen overhangende dakrand en oude gerimpelde verf.
In de zaal beneden stonden houten tafels
voor het gooien van domino's. Een kralen gordijn
rinkelde steeds als iemand erdoor liep. Een neon
reclame voor Coca Cola onder het NO PAIN
CAFÉ ALL WELCOME. Het NO PAIN was niet haar eigen
idee, maar van haar dode man. "Het is een profetie",
lachte Ma Kilman. Een hete straat liep naar het strand
langs de winkeltjes en de clubs en de apotheek
waar in de schaduw, zijn khaki hond aan de lijn,
een blinde man op zijn kruk zat, nadat de korjalen
waren vertrokken, mompelde de duistere taal van de blinden,
knokige handen op een stok, oren zo scherp als die van de hond.
Af en toe zong hij en flarden ervan dreven op de wind,
wanneer haar kralen de rozenkrans raakten. Oude St Omer.
Hij beweerde dat hij de wereld rond was gezeild. "Meneer Seven Seas"
doopten ze hem, naar een merk levertraan
met een kronkelende zwaardvis. Maar wat hij zei was vaag.
Klonk Grieks voor haar. Of oud Afrikaans gewauwel.
Langs de lijnen van heet asfalt leek de zanger
dingen te tellen. Wie weet of zijn ogen door
schaduwen konden kijken, tikkend op de stok met een vinger?
Ze hielp hem zijn veteranenpensioen te innen
elke eerste van de maand op het kleine postkantoor.
Hij klaagde nooit over zijn situatie
zoals al die anderen. Zijn plek in de hoek en de hitte
op zijn handen maakten dat hij de kruk naar de schaduw schoof.
Ma Kilman zag Philoctète aan komen hobbelen,
dus stond ze op vanuit haar hoek bij het raam en legde
het gebruikelijke medicijn voor hem neer. Een fles witte
acajou en een pot gele Vaseline,
een klein emaillen schaaltje met ijs. Hij wachtte
de hele dag in het NO PAIN café. Daar knielde hij
neer en zalfde de rand van de wond op zijn scheen.