1,3,2
This commit is contained in:
parent
ec054261a7
commit
68781ab983
8 changed files with 435 additions and 8 deletions
|
|
@ -1,17 +1,20 @@
|
||||||
**Boek 1**
|
**Boek 1**
|
||||||
|
|
||||||
**Hoofdstuk 1**
|
**Hoofdstuk 1**
|
||||||
|
|
||||||
|
deel 1
|
||||||
|
|
||||||
"Dus zó, op een morgen, sneden we die kano's."
|
"Dus zó, op een morgen, sneden we die kano's."
|
||||||
Philoctète glimlacht naar de toeristen, die proberen
|
Philoctète glimlacht naar de toeristen, die proberen
|
||||||
zijn ziel met camera's te vangen. "Als de wind nieuws brengt
|
zijn ziel met camera's te vangen. "Als de wind nieuws brengt
|
||||||
|
|
||||||
naar de _kaneel laurieren_, trillen hun bladeren
|
naar de _laurier-canelles_, trillen hun bladeren
|
||||||
het moment dat de bijl van zonlicht de ceders raakt
|
het moment dat de bijl van zonlicht de ceders raakt
|
||||||
omdat ze de bijl in onze eigen ogen zagen.
|
omdat ze de bijl in onze eigen ogen konden zien.
|
||||||
|
|
||||||
Wind, hef de varens. Ze klinken als de zee die ons voedt,
|
Wind, hef de varens. Ze klinken als de zee die ons voedt,
|
||||||
ons leven als vissers. En de varens knikten: 'Ja,
|
ons leven als vissers. En de varens knikten: 'Ja,
|
||||||
de bomen moeten dood.' De vuisten in de zakken,
|
de bomen moeten dood.' De vuisten strak in de zakken,
|
||||||
|
|
||||||
want de hoogten waren fris en onze adem maakte veren
|
want de hoogten waren fris en onze adem maakte veren
|
||||||
als de mist, we delen de rum. Eenmaal terug,
|
als de mist, we delen de rum. Eenmaal terug,
|
||||||
|
|
@ -27,18 +30,18 @@ rolt één broekspijp op met de rijzende klacht
|
||||||
|
|
||||||
van een schelp. Het is gerimpeld als de corona
|
van een schelp. Het is gerimpeld als de corona
|
||||||
van een zeeëgel. Hij zegt niet hoe het geheeld is.
|
van een zeeëgel. Hij zegt niet hoe het geheeld is.
|
||||||
"Het heeft die dingen" - hij glimlacht - "meer waard dan een dollar."
|
"Er zijn dingen" - hij glimlacht - "meer waard dan een dollar."
|
||||||
|
|
||||||
Hij liet het aan de kletsende waterval
|
Hij liet het aan de kletsende waterval
|
||||||
om zijn geheim te te schenken aan La Sorcière , sinds
|
om zijn geheim te te schenken aan La Sorcière , sinds
|
||||||
de hoge laurieren voor de roep van de duif vielen.
|
de hoge laurieren voor de roep van de duif vielen
|
||||||
|
|
||||||
om zijn zang te geven aan de blauwe stille bergen
|
om zijn zang te geven aan de blauwe stille bergen
|
||||||
waar praatgrage stroopmjes dragen het naar de zee
|
waar praatgrage stroopmjes het dragen tot bij de zee
|
||||||
in stilstaande poelen waar voorntjes doorheen schieten
|
in stilstaande poelen waar voorntjes door schieten
|
||||||
|
|
||||||
en een reiger rietstengels kruist met een roestige kreet
|
en een reiger rietstengels kruist met een roestige kreet
|
||||||
de modder steekt en steekt een voet geheven
|
de modder steekt en steekt een voet geheven.
|
||||||
Dan wordt de stilte doormidden gezaagd door een waterjuffer
|
Dan wordt de stilte doormidden gezaagd door een waterjuffer
|
||||||
|
|
||||||
als alen hun naam schrijven in het heldere zand
|
als alen hun naam schrijven in het heldere zand
|
||||||
81
boek1_hoofdstuk1_deel2.md
Normal file
81
boek1_hoofdstuk1_deel2.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,81 @@
|
||||||
|
deel 2
|
||||||
|
|
||||||
|
Achille keek op van het gat dat de laurier achterliet.
|
||||||
|
Hij zag het gat zacht helen met het schuim
|
||||||
|
van een wolk als een breker. Toen zag hij de vlugge zwaluw
|
||||||
|
|
||||||
|
surfend over de branding-wolk, een klein ding, ver van huis,
|
||||||
|
verward door de golvende blauwe heuvels. Een doornstruik
|
||||||
|
greep zijn hiel. Hij rukte zich los. Om hem heen werden meer schepen
|
||||||
|
|
||||||
|
gevormd door de zaag. Met zijn kapmes maakte hij
|
||||||
|
vlug een kruis, zijn duim raakte zijn lippen
|
||||||
|
terwijl de bijlen de hoogte in rinkelden. Hij zwaaide het ijzer,
|
||||||
|
|
||||||
|
en hakte de armen van de dode god, knoest na knoest,
|
||||||
|
wrikte de aders los van de stronk terwijl hij bad:
|
||||||
|
"Boom! Jij kunt een kano zijn. Of anders kun je het niet!"
|
||||||
|
|
||||||
|
De bebaarde ouderen verdroegen de decimatie
|
||||||
|
van hun volk zonder een woord te uiten
|
||||||
|
in de taal die ze spraken als één natie,
|
||||||
|
|
||||||
|
de taal die ze hun jonge scheuten leerden: van gebabbel in de torens
|
||||||
|
van de ceders tot groene klinkers van de _bois-campēche_.
|
||||||
|
De _bois-flot_ hield zijn mond net als de _laurier-cannelle_,
|
||||||
|
|
||||||
|
de roodhuidige _logwood_ verdroeg de doorns in zijn vlees,
|
||||||
|
terwijl het Arowakse dialect krakeelde in de geur
|
||||||
|
van een harsig kampvuur dat de bladeren bruin kleurde
|
||||||
|
|
||||||
|
met krullende tongen, dan as, en hun taal ging verloren.
|
||||||
|
Als barbaren die over de zuilen stappen die ze gevloerd hebben
|
||||||
|
schreeuwden de vissers. De goden waren eindelijk gevallen.
|
||||||
|
|
||||||
|
Als dwergen hakten ze de stammen van gerimpelde reuzen,
|
||||||
|
voor peddels en riemen. Ze werkten met dezelfde
|
||||||
|
concentratie als een leger vuurmieren.
|
||||||
|
|
||||||
|
Maar woedende muggen, kwaad door de rook
|
||||||
|
voor het onteren van hun bos, bleven Achille steken.
|
||||||
|
Hij wreef rum op zijn polsen opdat ze
|
||||||
|
|
||||||
|
platgeslagen tot sterren tenminste dronken zouden sterven.
|
||||||
|
Ze gingen voor zijn ogen. Omsingelend in een aanval
|
||||||
|
die hem tot blinde tranen dreef. Hij trok zich terug
|
||||||
|
|
||||||
|
naar de hoge bamboe als de Arowak schutters
|
||||||
|
vluchtend voor de musketten van krakende stammen
|
||||||
|
geleid door het vuur en de woedende bijl
|
||||||
|
|
||||||
|
die hakt op de takken. De mannnen bonden de dikke stammen eerst
|
||||||
|
met verse hennep en rolden ze als mieren naar een klif
|
||||||
|
om langs de hoge netels neer te storten. Ze kregen die dorst
|
||||||
|
|
||||||
|
naar de zee vanwaar hun bebladerde lijven waren geboren.
|
||||||
|
Nu ploegden in hun haast om kano's te worden
|
||||||
|
de stammen door golfbrekers van struiken, en maakten gaten
|
||||||
|
|
||||||
|
van keien, ze voelden geen dood in zichzelf, maar nut -
|
||||||
|
de zee te bedekken, rompen te zijn. Dan, op het strand, kregen ze
|
||||||
|
houtskool in hun holtes, uitgehakt door houwelen.
|
||||||
|
|
||||||
|
Een oplegger had hun gebonden lijven gedragen.
|
||||||
|
Het smeulende houtskool doorboorde dagenlang de korjalen
|
||||||
|
totdat de hitte het hout wijd genoeg had gemaakt met spanten en boorden.
|
||||||
|
|
||||||
|
Onder zijn kloppende beitel voelde Achille hun holtes
|
||||||
|
ademen om de zee te voelen, reikend naar de waas van
|
||||||
|
vogels op een zandbank, de snavels van hun gekliefde boegdelen.
|
||||||
|
|
||||||
|
Toen paste alles. De bootjes kropen over het zand
|
||||||
|
als honden met een tak in de bek. De priester
|
||||||
|
besprenkelde hen met een klok. Toen maakte hij het zwaluwteken.
|
||||||
|
|
||||||
|
Toen hij lachte om Achilles kano, _In God we troust_,
|
||||||
|
Zei Achille: "Laat het! Het is God's spelling en de mijne."
|
||||||
|
Na de mis, op een morgen, enterden de kano's de laagten
|
||||||
|
|
||||||
|
de ondieptes in koorhemd en hun knikkende korjalen
|
||||||
|
kwamen overeen met de golven hun leven als boom te vergeten;
|
||||||
|
één diende Hector, een ander Achilles.
|
||||||
31
boek1_hoofdstuk1_deel3.md
Normal file
31
boek1_hoofdstuk1_deel3.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,31 @@
|
||||||
|
Achille piste in het donker, sloot toen de onderdeur.
|
||||||
|
Hij was roestig van de zeebries. Hij tilde de vispan
|
||||||
|
met de krab van een hand; in een hol onder de hut
|
||||||
|
|
||||||
|
verborg hij de betonnen stap. Terwijl hij de opslag naderde,
|
||||||
|
zoutte de ochtendbries hem lopend door de grijze straat
|
||||||
|
langs slaapvaste huizen onder natrium stroken
|
||||||
|
|
||||||
|
van straatlampen, naar het droge asfalt dat zijn tenen schraapte
|
||||||
|
telde hij de blauwe vonken van enkele sterren.
|
||||||
|
Bananenblad knikte naar de golvende
|
||||||
|
|
||||||
|
woede van hanen, hun kreten krijtend als rode kalk
|
||||||
|
die heuvels op een bord tekent. Als zijn leraar, wachtend,
|
||||||
|
schuurde de branding zijn vaste tred.
|
||||||
|
|
||||||
|
Toen ze elkaar zagen bij de muur van het betonnen kot
|
||||||
|
was de morgenster teruggestapt, haatte de geur
|
||||||
|
van netten en visdarm; het licht was hard van boven
|
||||||
|
|
||||||
|
en er was een horizon. Hij legde het net bij de deur
|
||||||
|
van de opslag en waste zijn handen in de bak.
|
||||||
|
De branding verhief zijn stem niet. Zelfs de magere honden
|
||||||
|
|
||||||
|
rond de kano's waren kalm. Een fles absinthe
|
||||||
|
ging rond bij de vissers, maakten smakkende geluiden
|
||||||
|
en schudden door de bittere bast waarvan het gebrouwen was.
|
||||||
|
|
||||||
|
Dit was het licht waar Achille gelukkig in was.
|
||||||
|
Als, voordat hun handen de boorden vastpakten, ze voor
|
||||||
|
de zee wijdsheid stonden, klaar voor de dag.
|
||||||
65
boek1_hoofdstuk2_deel1.md
Normal file
65
boek1_hoofdstuk2_deel1.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,65 @@
|
||||||
|
I
|
||||||
|
|
||||||
|
Hector was er. Theofile ook. In dit licht,
|
||||||
|
hebben ze alleen christelijke namen. Placide, Pancreas,
|
||||||
|
Chrysostom, Maljo, Philoctète, met zijn hoofd wit
|
||||||
|
|
||||||
|
als gekrulde branding. Ze verscheepten riemen als lansen,
|
||||||
|
plaatsen ze parallel in het graf van de scheepsboorden
|
||||||
|
als man en vrouw. Schepten het vieze blad van de planken,
|
||||||
|
|
||||||
|
openden knopen van de lichamen van meelzak zeilen,
|
||||||
|
terwijl Hector, aan de vloedlijn, kort dank zei
|
||||||
|
met de zee als doopvont, voordat hij heupdiep, erin waadde.
|
||||||
|
|
||||||
|
De rest liep op het strand met gelijke tred
|
||||||
|
behalve schuimharige Philoctète. De wond op zijn scheen
|
||||||
|
nog ongeheeld, als een stralende anemoon. Het was
|
||||||
|
|
||||||
|
van een schrapend, roestig anker. Het puntige ijzer
|
||||||
|
sneed zijn huid in een golfslag. Hij boog naar het schuim
|
||||||
|
druppelde er sisselend zout op. Hij zou weer rennen
|
||||||
|
|
||||||
|
strompelend naar de zinloze schaduw van een amandel,
|
||||||
|
met de tanden op elkaar, zwaaide ze uit in de schaamte
|
||||||
|
van zijn stank, en wéér lieten ze hem achter
|
||||||
|
|
||||||
|
onder het luipaarden licht. Deze morgen gebeurde
|
||||||
|
dezelfde gedoe weer opnieuw. Hij voelde de jaap draden
|
||||||
|
trekken tot in zijn kruis. Met zijn hinkelende stap
|
||||||
|
|
||||||
|
hand op één knie, verliet hij het gedrukte strand
|
||||||
|
en klauterde de vroege straat naar Ma Kilman's bar.
|
||||||
|
Ze opende de winkel en zette de witte rum bij de hand.
|
||||||
|
|
||||||
|
Zijn scheepsmaten zagen hem, haakten toen hun handen als ankers
|
||||||
|
onder de romp, wiegden ze; de kiel schuurde door droog zand
|
||||||
|
totdat nat zand hem stopte. De riemen deed ratelen
|
||||||
|
|
||||||
|
die parallel midscheeps lagen; dan, op het geluid
|
||||||
|
van vloeken en gebeden voor de stammen in de vorm van een wig
|
||||||
|
de één na de ander, met rammelende botten
|
||||||
|
|
||||||
|
gleden de boten naar de knabbelende waterlijn
|
||||||
|
richting de geopende zee. De losse stammen tuimelden
|
||||||
|
in de branding, gesneuveld als strijders in een strijd
|
||||||
|
|
||||||
|
ergens aangespoeld op de overkant van de wereld.
|
||||||
|
Gedragen naar een plek onder de manzanilla's
|
||||||
|
lagen ze gezicht naar boven, de zon bewoog over hun ogen
|
||||||
|
|
||||||
|
met de blik van myrmidonen, aan de hiel weggesleept
|
||||||
|
hoog boven de waterlijn waar de spookkrab schuilt.x
|
||||||
|
De vissers veegden hun handen. Nu bereden alle kano's
|
||||||
|
|
||||||
|
de roze golf van de morgen. Ze neigden hun boegen
|
||||||
|
zachtjes, zoals staljongens met paarden doen bij zonsopgang,
|
||||||
|
trekkend aan de lijnen als teugels aan de neus gehaakt -
|
||||||
|
|
||||||
|
_Prijs Hem, Morgenster, St. Lucia, Licht van mijn ogen_,
|
||||||
|
Gooiden een hoosblik erin en vouwden hun lijven over de
|
||||||
|
dansende rompen, en roeiden, één riem lichtjes naar achter.
|
||||||
|
|
||||||
|
Hector ontrolde zijn canvas om in te lopen op
|
||||||
|
de meeuwen, hopend op terugkeer vóór die schelpkleurige
|
||||||
|
schemer, wanneer de pelicanen laag overvliegen.
|
||||||
89
boek1_hoofdstuk2_deel2.md
Normal file
89
boek1_hoofdstuk2_deel2.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,89 @@
|
||||||
|
II
|
||||||
|
|
||||||
|
In het haldfuister stond Seven Seas op en maakte koffie
|
||||||
|
Zonlicht was bezig de ring van de horizon te verwarmen
|
||||||
|
en wolken rezen als broden. In de hitte van de
|
||||||
|
|
||||||
|
gloeiende ijzeren roos schoof hij de pan op de
|
||||||
|
ring en zette hem vast. De pan trilde
|
||||||
|
door het gewicht van het water, kwam toen tot rust.
|
||||||
|
|
||||||
|
Zijn ketel lekte. Tastend greep hij de ijzeren stoel en nam
|
||||||
|
plaats naast de pan, om te horen als het borrelde.
|
||||||
|
Het zou koken, maar niet gillen als de scheepsfluit
|
||||||
|
|
||||||
|
om te zeggen dat het klaar was. Hij hoorde de hond
|
||||||
|
janken onder de planken van zijn huis, zijn staart
|
||||||
|
kloppen de deur, maar hij benijdde de korjalen
|
||||||
|
|
||||||
|
nu al mijlen ver op zee. Nu hoorde hij de eerste bries
|
||||||
|
over de bladen van de zeeamandel spoelen. Vanacht was er
|
||||||
|
een volle maan, wit als zijn bord. Hij zag met zijn oren.
|
||||||
|
|
||||||
|
Hij warmde op met de daken in de klimmende zon.
|
||||||
|
Sinds de ziekte zijn zicht had vernietigd,
|
||||||
|
zonsondergang de zee de hand schudde voor het laatst -
|
||||||
|
|
||||||
|
en een inwaarts duister groeide waar de maan en de zon
|
||||||
|
onmerkbaar verschilden - hij bewoog op een zesde zintuig
|
||||||
|
zoals de maan zonder secondewijzer,
|
||||||
|
|
||||||
|
schoongeveegd als het bord dat hij nu waste
|
||||||
|
terwijl de pan borrelde; blindheid was niet het einde.
|
||||||
|
Het was geen strandpalm als zonnewijzer op het middaguur.
|
||||||
|
|
||||||
|
Hij voelde de zon kruipen over zijn polsen
|
||||||
|
Het bewoog als een kat langs de hekken
|
||||||
|
van een zandweggetje. Hij voelde het loskomen
|
||||||
|
|
||||||
|
van de broodvruchtboom in zijn tuin, langs het hekwerk
|
||||||
|
van de korte ijzeren brug als een harp, zijn stralen
|
||||||
|
rimpelend in het water. Hij zag de lagune
|
||||||
|
|
||||||
|
achter de kerk en erin, een vastgezet bekken,
|
||||||
|
een roestig emaillen beeld van de maan.
|
||||||
|
Hij draaide de lichtkrans uit onder de pan.
|
||||||
|
|
||||||
|
De hond krabbelde aan de keukendeur, wilde erin,
|
||||||
|
maar hij liet hem wachten. Hij trommelde op de keukentafel
|
||||||
|
met zijn vingers. Ruziende merels aan het ontbijt.
|
||||||
|
|
||||||
|
Behalve één hand zat hij doodstil,
|
||||||
|
met zijn ei-witte ogen, vingers gravend in het verleden
|
||||||
|
van een andere zee, gemeten met roeispanen.
|
||||||
|
|
||||||
|
O open deze dag met het geluid van de zeeschelp, Omeros,
|
||||||
|
zoals je deed in mijn jeugd, toen ik een woord was
|
||||||
|
zacht uitgeademd langs de tong van het zonlicht.
|
||||||
|
|
||||||
|
Een leguaan op een zeedam wierp zijn vraag op
|
||||||
|
voor de wakende zee en een net van gouden mos
|
||||||
|
lichtte het rif op, dat de zeilen van de verre kano's
|
||||||
|
|
||||||
|
ontweken. Alleen in jou, door de eeuwen
|
||||||
|
van de perkamenten zeekaart, kan ik het geluid vangen
|
||||||
|
van de vloedlijn die schuifelt als de vacht
|
||||||
|
|
||||||
|
van de kudde bij de vuurtoren, die Cycloop met zijn blinde oog
|
||||||
|
gesloten voor zonlicht. Toen waren de kano's galeien
|
||||||
|
waarover een fregat langzaam zijn afgekapte vleugels bewoog.
|
||||||
|
|
||||||
|
In jou raadden de zaden van grijze amandelen de vorm van de boom
|
||||||
|
en de druivenbladeren roestig als gekartelde eilanden,
|
||||||
|
en de blinde vuurtoren, die de rand van de kaap voelde,
|
||||||
|
|
||||||
|
een stilstaande reus, een marmeren wolk in de hand,
|
||||||
|
klaar om de rots uiteen te laten spatten in stralende
|
||||||
|
sterren; toen haalde een zwarte visser, met gestoppelde kin
|
||||||
|
|
||||||
|
ruw als een zeeëgel, zijn meelzakken
|
||||||
|
zeil op een bamboe paal en zocht de openingszin
|
||||||
|
van onze epische horizon; nu kijk ik terug
|
||||||
|
|
||||||
|
naar rotsen die hun voet zien, als licht de golven vangt
|
||||||
|
en holle bomen uitvaren met ebbenhouten kapiteins,
|
||||||
|
want het was jouw licht dat onze werven beroerde,
|
||||||
|
|
||||||
|
waar schoeners ijdel afgemeerd lagen aan kaapstanders.
|
||||||
|
Een windvlaag bladert de havenboeken terug naar de stem
|
||||||
|
die humde in de vaas van de keel van een vrouw: "Omeros."
|
||||||
57
boek1_hoofdstuk2_deel3.md
Normal file
57
boek1_hoofdstuk2_deel3.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,57 @@
|
||||||
|
III
|
||||||
|
|
||||||
|
"Omeros," lachte ze. "Zo noemden we hem in het Grieks,"
|
||||||
|
zijn kleine buste strelend, met de gebroken neus als een bokser,
|
||||||
|
en ik dacht aan Seven Seas, die in de stank
|
||||||
|
|
||||||
|
van drogende visnetten de klank van het strand beluisterde.
|
||||||
|
Ik zei: "Homeros en Vergilius zijn boeren uit New England",
|
||||||
|
en het gevleugelde paard bewaakt hun pompstation, inderdaad."
|
||||||
|
|
||||||
|
Ik aaide een arm en voelde de blik van het schuimende hoofd
|
||||||
|
koud als het marmer en haar schouders in het winterlicht
|
||||||
|
in de zolderkamer. Ik zei "Omeros,"
|
||||||
|
|
||||||
|
en _O_ was de roep van de karko, de zeeschelp, _mer_ was
|
||||||
|
moeder en zee in ons Antilliaanse patois,
|
||||||
|
_os_ een grijs bot, en de witte branding die breekt
|
||||||
|
|
||||||
|
en een schuimkraag verspreidt op een kust van kant.
|
||||||
|
Omerois was de krak van droog blad en het sissen
|
||||||
|
dat echode uit een grotmond bij eb.
|
||||||
|
|
||||||
|
De naam bleef in mijn mond, ik zag het licht in een web
|
||||||
|
op haar aziatische wangen, dat haar ogen tekende
|
||||||
|
met de omtrek van een zwarte amandel. Antigone draaide zich om
|
||||||
|
|
||||||
|
en zei: "Ik ben moe van Amerika. Ik wil terug naar
|
||||||
|
Griekenland. Ik mis mijn eilanden." Schrijf ik. Het brengt
|
||||||
|
de manier terug waarop ze haar zwarte golf van haar schudde.
|
||||||
|
|
||||||
|
Ik zag de branding kanten patronen prenten
|
||||||
|
op de kust van haar nek en de neerwaartse stroompjes
|
||||||
|
van zijde gekruld aan haar enkels. Als branding zonder geluid
|
||||||
|
|
||||||
|
en voelde een ander koud beeld, niet het hare maar die van jou
|
||||||
|
zag dit met amandelpitten als ogen, zijn gebroken neus
|
||||||
|
is afgewend, en de ruisende zijde stemt in.
|
||||||
|
|
||||||
|
Maar als het tussen de regels kon lezen van haar vloer
|
||||||
|
als een wit heet dek, verweerd door Antilliaanse hitte,
|
||||||
|
naar het duister ertussen, zou zijn neus schroeien
|
||||||
|
|
||||||
|
door de stank van geketende enkels, de geboeide voeten
|
||||||
|
schrapend als bladeren en misschien zou het onschuldige marmer
|
||||||
|
zijn witte pitten afgewend hebben. De afstand vergroten
|
||||||
|
|
||||||
|
tussen zijn mond en de horror onder haar tafel
|
||||||
|
voor de lier op de stoel gehuld in een witte tuniek
|
||||||
|
om te doen wat het verleden altijd doet: lijden en staren.
|
||||||
|
|
||||||
|
Ze lag kalm als een haven en een wolk bedekte haar
|
||||||
|
met mijn schaduw. Toen verscheen langzaam een boeg
|
||||||
|
met geschilderde ogen uit de geurige regen van zwart haar.
|
||||||
|
|
||||||
|
En hoorde ik de holle klank geblazen uit een vaas,
|
||||||
|
niet voor koningen, struikelend in sperenregens;
|
||||||
|
kortaf proza van vissers, vloekend over hun kano's.
|
||||||
50
boek1_hoofdstuk3_deel1.md
Normal file
50
boek1_hoofdstuk3_deel1.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,50 @@
|
||||||
|
I
|
||||||
|
|
||||||
|
_"Touchez-i, encore: N'ai fendre choux-ous-ou, salope!"_
|
||||||
|
"Doe dat nog eens en ik trap je kont, bitch!"
|
||||||
|
_"Moi, j'a dire-'ous pas prêter un rien. 'Ous ni shallope,
|
||||||
|
|
||||||
|
'ous ni seine, 'ous croire 'ous ni choeur campêche?"_
|
||||||
|
"Ik zeg je, leen niets van mij. Je hebt een kano
|
||||||
|
en een net. Wie denk je dat je bent? Koning hardhout?"
|
||||||
|
|
||||||
|
_"'Ous croire 'ous c'est roi Gros-Îlet? Voleur bomme!"_
|
||||||
|
"Je denkt dat je koning Gros-Îlet bent? Blikkendief!"
|
||||||
|
Dan in het Engels: "I go show you who is king! Come!"
|
||||||
|
|
||||||
|
Hector stapte uit de schaduw. En Achille, het
|
||||||
|
moment dat hij het kapmes zag, een gek,
|
||||||
|
een gestoorde, verteerd door jaloezie, zette het blikje
|
||||||
|
|
||||||
|
dat hij uit Hector's korjaal had geleend netjes terug in de boeg
|
||||||
|
van Hectors boot. Daarna veegde Achille die genoeg had van
|
||||||
|
deze idioot zijn eigen mes af en zwaaide ermee.
|
||||||
|
|
||||||
|
Nu verschenen de dorpelingen uit de groene schaduw
|
||||||
|
van amandelen en lobbige manzanilla bladeren
|
||||||
|
voor het duel dat Hector wilde. Achille liep weg en wachtte
|
||||||
|
|
||||||
|
naast het lauwe water. Hector beende op hem af.
|
||||||
|
De dorpelingen volgden. De branding verstomde
|
||||||
|
ineengedrongen van angst aan de rand van het strand.
|
||||||
|
|
||||||
|
Toen regende het ver op zee in een glinsterende bui
|
||||||
|
pijlen vanuit de smaragdgroene golfbreker
|
||||||
|
van het rif, de schachten vlogen met duidelijke kracht
|
||||||
|
|
||||||
|
in de zon en daarachter, klaar voor de slachting
|
||||||
|
stonden schreeuwende dorpers, een golf van geluid,
|
||||||
|
armen in de lucht richting het licht. Hector rende plenzend
|
||||||
|
|
||||||
|
door de kreken en de regen naar Achille
|
||||||
|
zijn kapmes geheven. De woedende branding kraste
|
||||||
|
met zijn staart als een briesend hondengevecht. Een man
|
||||||
|
|
||||||
|
doodt uit woede zelfs zijn eigen broer, maar de gestoorde
|
||||||
|
die Achilles shirt van zijn schouder scheurde
|
||||||
|
verscheurde ook zijn hart. De woede die hij voor Hector voelde
|
||||||
|
|
||||||
|
was schaamte. Om elkaar te lijf te gaan om een hoosblik
|
||||||
|
volkomen bedekt met roest. Het duel van deze vissers
|
||||||
|
ging over een schaduw, en die heete Helena.
|
||||||
|
|
||||||
51
boek1_hoofdstuk3_deel2.md
Normal file
51
boek1_hoofdstuk3_deel2.md
Normal file
|
|
@ -0,0 +1,51 @@
|
||||||
|
II
|
||||||
|
|
||||||
|
Ma Kilman had het oudste café in het dorp.
|
||||||
|
Het balkon van een gemberkoekhuis had een mosterdkleurige gevel
|
||||||
|
met een groen overhangende dakrand en oude gerimpelde verf.
|
||||||
|
|
||||||
|
In de zaal beneden stonden houten tafels
|
||||||
|
voor het gooien van domino's. Een kralen gordijn
|
||||||
|
rinkelde steeds als iemand erdoor liep. Een neon
|
||||||
|
|
||||||
|
reclame voor Coca Cola onder het NO PAIN
|
||||||
|
CAFÉ ALL WELCOME. Het NO PAIN was niet haar eigen
|
||||||
|
idee, maar van haar dode man. "Het is een profetie",
|
||||||
|
|
||||||
|
lachte Ma Kilman. Een hete straat liep naar het strand
|
||||||
|
langs de winkeltjes en de clubs en de apotheek
|
||||||
|
waar in de schaduw, zijn khaki hond aan de lijn,
|
||||||
|
|
||||||
|
een blinde man op zijn kruk zat, nadat de korjalen
|
||||||
|
waren vertrokken, mompelde de duistere taal van de blinden,
|
||||||
|
knokige handen op een stok, oren zo scherp als die van de hond.
|
||||||
|
|
||||||
|
Af en toe zong hij en flarden ervan dreven op de wind,
|
||||||
|
wanneer haar kralen de rozenkrans raakten. Oude St Omer.
|
||||||
|
Hij beweerde dat hij de wereld rond was gezeild. "Meneer Seven Seas"
|
||||||
|
|
||||||
|
doopten ze hem, naar een merk levertraan
|
||||||
|
met een kronkelende zwaardvis. Maar wat hij zei was vaag.
|
||||||
|
Klonk Grieks voor haar. Of oud Afrikaans gewauwel.
|
||||||
|
|
||||||
|
Langs de lijnen van heet asfalt leek de zanger
|
||||||
|
dingen te tellen. Wie weet of zijn ogen door
|
||||||
|
schaduwen konden kijken, tikkend op de stok met een vinger?
|
||||||
|
|
||||||
|
Ze hielp hem zijn veteranenpensioen te innen
|
||||||
|
elke eerste van de maand op het kleine postkantoor.
|
||||||
|
Hij klaagde nooit over zijn situatie
|
||||||
|
|
||||||
|
zoals al die anderen. Zijn plek in de hoek en de hitte
|
||||||
|
op zijn handen maakten dat hij de kruk naar de schaduw schoof.
|
||||||
|
Ma Kilman zag Philoctète aan komen hobbelen,
|
||||||
|
|
||||||
|
dus stond ze op vanuit haar hoek bij het raam en legde
|
||||||
|
het gebruikelijke medicijn voor hem neer. Een fles witte
|
||||||
|
acajou en een pot gele Vaseline,
|
||||||
|
|
||||||
|
een klein emaillen schaaltje met ijs. Hij wachtte
|
||||||
|
de hele dag in het NO PAIN café. Daar knielde hij
|
||||||
|
neer en zalfde de rand van de wond op zijn scheen.
|
||||||
|
|
||||||
|
|
||||||
Loading…
Add table
Reference in a new issue