2 KiB
III
In deze boot waren we vrienden. Iets was begonnen
te knagen aan de fundering, zoals de zee aan een pier,
van een liefde die me met luchtige geloften bevestigde
dat ik nooit in mijn leven gelukkiger was.
Kijk voorbij het prikkeldraad: daar is het gebeurd,
in de schaduw van de ruisende amandelen bij het vliegveld,
alsof het geluid van de blaadjes kwam van haar waaiende haar,
en het zoute licht stroomde, dwars door de golven,
en drie baaien verderop, in een rustige inham
wiegden we samen in die metamorfose
die één lichaam niet los kan zien van het andere
waar witte paarden over het barrière rif springen,
bij een oude strekdam, die slaven ooit hadden gebouwd.
Ze verenigden zich met het glibberige paren van dolfijnen
dan de zebragestreepte middag op een witte quilt,
de broodvruchtpalmen schraapten het dak, de geluiden
van het dorp vlakbij hen en de kleine krabbekreten
van haar zich openende schelp, haar voorhoofd glazig van het zweet
van de bruidsslaap die Adam troostte in het paradijs
voordat die zich opende als een wond, als Philoctète
en bleke slakken met hun pasgeboren ogen uit het zand kruipen.
En werd ik dan wakker, verstoord en verward
uit die ondiepe slaap waar dromen gevolgd worden door zonlicht,
als de benevelde geest voorzichtig het feit erkent
van een ander's omlijning, kijkend naar het dalen en rijzen
van ademend linnen, als een skiff voor anker,
knikkend op het kalme water, als de zwaluw fluitend
van de voorlijn opvliegt naar een andere kust.
En rustig een kano getrokken wordt, zachtjes met liefde
zoals je je omdraait en de vorm in de lakens dichterbij trekt
met onzichtbare touwen en ze opent een oog
lacht je toe en klopt op je knokkels. Je laat haar daar,
en staat 's morgens vroeg op de planken van de veranda
en ziet tussen de brede bladeren het kleine witte dorp
eronder, en een veerboot en op de Morne de
barakken met roestige daken. Insekten auto's kruipen omlaag.