63 lines
2.5 KiB
Markdown
63 lines
2.5 KiB
Markdown
**Hoofdstuk 4**
|
|
|
|
I
|
|
|
|
Buiten het dorp is een bos van bloedbomen met doorns<br/>
|
|
die er rondom in de droge schaduw liggen. Keien<br/>
|
|
en kwarts dat glinstert als regen. Ooit waren de bomen
|
|
|
|
deel van een terrein met een molen zo oud als<br/>
|
|
het dorp ernaast. De verlaten weg loopt<br/>
|
|
langs enorme roestige ketels. Vaten om suiker te koken
|
|
|
|
en zwarte pilaren. Dit zijn de enige resten<br/>
|
|
van de geschiedenis, als dat het is wat ze zijn.<br/>
|
|
De verdraaide bloedboom stammen zijn oranje van de zeebries;
|
|
|
|
boven hen torent een verrassende cactus.<br/>
|
|
Philoctète hinkte naar zijn yamtuin daar. Sidderend<br/>
|
|
liep hij over het terrein, liefkoosde zijn kapmes,
|
|
|
|
toegeblèrd door bruine, kwastige schapen, die zijn naam herhaalden.<br/>
|
|
"Beeeeh, Philoctète!". Hier in de Atlantische wind<br/>
|
|
bogen de amandelen mee als de vlam van een kaars.
|
|
|
|
De gedachte aan kaarsen deden hem denken aan zijn eigen dood.<br/>
|
|
De wind draaide de yambladen als kaarten van Afrika,<br/>
|
|
hun aderen bloedden wit en Philoctète, hobbelend
|
|
|
|
liep tussen de yambladeren als een verzwakte patient<br/>
|
|
door een ziekenhuisgang. Zijn huid stond in brand,<br/>
|
|
zijn kop was een mierenhoop; hij hoorde krabben kreunen
|
|
|
|
met arthritische klauwen, hij voelde een molkrekel<br/>
|
|
tot op het bot in zijn wond boren. Zijn knie gloeiend ijzer,<br/>
|
|
zijn borst een zak ijs en achter de tralies
|
|
|
|
van zijn roestige tanden, als een mangoest in een kooi<br/>
|
|
een kreet, gek als die kwam. Zijn tong schuurde zijn poten<br/>
|
|
aan het dak van zijn mond, ratelde woest aan de tralies.
|
|
|
|
Hij zag blauwe rook boven het land, de bamboe palen<br/>
|
|
bij elkaar in een net, de drijvende veren van een priester.<br/>
|
|
Als kapmes rook kapt, als de hanen eieren
|
|
|
|
schijten, vloekte hij, krijgt de zwarte mens rust<br/>
|
|
van God; precies op het moment dat een pijlenjacht<br/>
|
|
zijn wond trof en hij schreeuwde in het yambed.
|
|
|
|
Hij strekte de voet, haalde vlijmscherp ijzer<br/>
|
|
langs pleitende vinger en duim. De yambedden veerden op<br/>
|
|
in koud zweet. Hij kapte elke wortel bij de hiel.
|
|
|
|
Hij hakte bij hun hiel. Zag hoe ze krulden,<br/>
|
|
gesneuveld zonder wortels. Vervloekte de yams: "Verdomme!<br/>
|
|
Zien jullie hoe het is, zonder roots in dit land?"
|
|
|
|
Snikte toen met zijn gezicht in de gevelde bladeren. Sap<br/>
|
|
druppelde uit hun gapende stengels, als zijn eigen verdriet.<br/>
|
|
Een vlieg waste vlug zijn handen van dit bloedbad.
|
|
|
|
Philoctète voelde een kruipende mier langs zijn voorhoofd.<br/>
|
|
Het was de wind. Hij keek op naar een blauwe akker <br/>
|
|
en een tak waar een zwaluw stil neerstreek.
|