omeros/boek1_hoofdstuk1_deel3.md
Sander Hautvast d74312ca2a improvements
2022-08-31 21:35:15 +02:00

33 lines
1.3 KiB
Markdown

III
Achille piste in het donker, en sloot vervolgens de onderdeur.<br/>
Hij was roestig van de zeebries. Hij tilde de vispan<br/>
met de krab van een hand; in een hol onder de hut
verborg hij de betonnen opstap. Terwijl hij de opslag naderde,<br/>
zoutte de ochtendbries hem lopend door de grijze straat<br/>
langs slaapvaste huizen onder natrium strepen
van straatlampen, naar het droge asfalt dat zijn tenen schraapte;<br/>
hij telde de kleine blauwe vonken van losse sterren.<br/>
Bananenblad knikte naar de golvende
woede van hanen, hun kreten krijtend als rode kalk<br/>
die heuvels op een bord tekent. Als zijn leraar, wachtend,<br/>
schuurde de branding zijn vaste tred.
Toen ze elkaar zagen bij de muur van het betonnen kot<br/>
was de morgenster teruggestapt, haatte de geur<br/>
van netten en visdarm; het licht was hard van boven
en er was een horizon. Hij legde het net bij de deur<br/>
van de opslag en waste zijn handen in de bak.<br/>
De branding verhief zijn stem niet. Zelfs de magere honden
rond de kano's waren kalm. Een fles absinthe<br/>
ging rond bij de vissers, ze maakten smakkende geluiden<br/>
en schudden door de bittere bast waarvan het gebrouwen was.
Dit was het licht waar Achille gelukkig in was.<br/>
Als, voordat hun handen de boorden vastpakten, ze voor<br/>
de zee-wijdsheid stonden, klaar voor de dag.