omeros/boek1_hoofdstuk2_deel2.md
2022-08-29 22:14:53 +02:00

89 lines
3.5 KiB
Markdown

II
In het haldfuister stond Seven Seas op en maakte koffie<br/>
Zonlicht was bezig de ring van de horizon te verwarmen<br/>
en wolken rezen als broden. In de hitte van de
gloeiende ijzeren roos schoof hij de pan op de <br/>
ring en zette hem vast. De pan trilde<br/>
door het gewicht van het water, kwam toen tot rust.
Zijn ketel lekte. Tastend greep hij de ijzeren stoel en nam<br/>
plaats naast de pan, om te horen als het borrelde.<br/>
Het zou koken, maar niet gillen als de scheepsfluit
om te zeggen dat het klaar was. Hij hoorde de hond<br/>
janken onder de planken van zijn huis, zijn staart<br/>
kloppen de deur, maar hij benijdde de korjalen
nu al mijlen ver op zee. Nu hoorde hij de eerste bries<br/>
over de bladen van de zeeamandel spoelen. Vanacht was er<br/>
een volle maan, wit als zijn bord. Hij zag met zijn oren.
Hij warmde op met de daken in de klimmende zon.<br/>
Sinds de ziekte zijn zicht had vernietigd,<br/>
zonsondergang de zee de hand schudde voor het laatst -
en een inwaarts duister groeide waar de maan en de zon<br/>
onmerkbaar verschilden - hij bewoog op een zesde zintuig<br/>
zoals de maan zonder secondewijzer,
schoongeveegd als het bord dat hij nu waste<br/>
terwijl de pan borrelde; blindheid was niet het einde.<br/>
Het was geen strandpalm als zonnewijzer op het middaguur.
Hij voelde de zon kruipen over zijn polsen<br/>
Het bewoog als een kat langs de hekken<br/>
van een zandweggetje. Hij voelde het loskomen
van de broodvruchtboom in zijn tuin, langs het hekwerk<br/>
van de korte ijzeren brug als een harp, zijn stralen<br/>
rimpelend in het water. Hij zag de lagune
achter de kerk en erin, een vastgezet bekken,<br/>
een roestig emaillen beeld van de maan.<br/>
Hij draaide de lichtkrans uit onder de pan.
De hond krabbelde aan de keukendeur, wilde erin,<br/>
maar hij liet hem wachten. Hij trommelde op de keukentafel<br/>
met zijn vingers. Ruziende merels aan het ontbijt.
Behalve één hand zat hij doodstil,<br/>
met zijn ei-witte ogen, vingers gravend in het verleden<br/>
van een andere zee, gemeten met roeispanen.
O open deze dag met het geluid van de zeeschelp, Omeros,<br/>
zoals je deed in mijn jeugd, toen ik een woord was<br/>
zacht uitgeademd langs de tong van het zonlicht.
Een leguaan op een zeedam wierp zijn vraag op<br/>
voor de wakende zee en een net van gouden mos<br/>
lichtte het rif op, dat de zeilen van de verre kano's
ontweken. Alleen in jou, door de eeuwen<br/>
van de perkamenten zeekaart, kan ik het geluid vangen<br/>
van de vloedlijn die schuifelt als de vacht
van de kudde bij de vuurtoren, die Cycloop met zijn blinde oog<br/>
gesloten voor zonlicht. Toen waren de kano's galeien<br/>
waarover een fregat langzaam zijn afgekapte vleugels bewoog.
In jou raadden de zaden van grijze amandelen de vorm van de boom<br/>
en de druivenbladeren roestig als gekartelde eilanden,<br/>
en de blinde vuurtoren, die de rand van de kaap voelde,
een stilstaande reus, een marmeren wolk in de hand,<br/>
klaar om de rots uiteen te laten spatten in stralende<br/>
sterren; toen haalde een zwarte visser, met gestoppelde kin
ruw als een zeeëgel, zijn meelzakken<br/>
zeil op een bamboe paal en zocht de openingszin<br/>
van onze epische horizon; nu kijk ik terug
naar rotsen die hun voet zien, als licht de golven vangt<br/>
en holle bomen uitvaren met ebbenhouten kapiteins,<br/>
want het was jouw licht dat onze werven beroerde,
waar schoeners ijdel afgemeerd lagen aan kaapstanders.<br/>
Een windvlaag bladert de havenboeken terug naar de stem<br/>
die humde in de vaas van de keel van een vrouw: "Omeros."