3.3 KiB
III
Verderop de strakblauwe heuvels had je orchideeën die groeiden langs de paden. Soms liet een harsige houthakker ze schrikken, zijn tas vol slangekoppen
om aan de Staat te verpatsen. Hij liep zonder geluid, een koker van licht hengelde over de vloer van het woud zonder de varens te beroeren, zijn voetzolen stil als het mos.
Door de stompjes van zijn bruine tanden wees hij op de bergkam met gapende afgronden van dalen, waar rook opsteeg uit een houtskoolkuil, en onder de rook de lijnen
van een witte, vergeetachtige Atlantische oceaan, met een buiging en een zegen in het Patois met oude Afrikaanse tekens, geluidloos als licht op de weg die ze hem zagen gaan.
Engeland was voor hem slechts de plaats van zijn afkomst. Best raar dat hij koos, niet voor de idyllische plekjes -- redelijk bladerdek boven redelijke aarde --
maar voor die luidruchtige bossen op ongeletterde bergen, die bronnen die een dialect spraken dat zijn geest kalmeerde meer dan kastelen op weides. Hij koos de rust
van heiige Oceaan verontrust door de zoute wind! Anderen zagen het als "Terug naar de natuur," maar baai na halvemaanvormige baai heelden zijn wond.
Er was een hoop op het eiland dat Maud haatte: het vocht dat de boeken liet rotten; dat was het ergst. Het kroop door de gesluierde piano en richtte een
verwoesting aan onder de vilten hamertjes, dus de stemmer kostte een behoorlijk fortuin. En dan het chaotische licht onder het propvolle marktdak; alle soorten insekten,
regenvliegen vooral; een kleine verwoestende termiet die huizen in de as legde en ramen blind achterliet; Amerikanen op slippers slenterend langs de oevers --
die waren de pest nu, erger dan de insekten die, tenminste, inheems waren. Relifanaten in tulband die met kaarsen vrouwen verleiden tot sektes,
de snelheid van de afgeladen bussen waar de snelweg recht was, kometen slingerden aan je voorbij en sloegen een gat in je hart; de donkere moesson
van de genadeloze Juli, met zonlicht in vlekken veranderlijk als Helen, de schuine, amandelvormige ogen van haar ebbenzwarte schoonheid. Maar dan stroomde
een uitgelaten zon over Maud's tuin, overstromend licht op engelachtige lelies, gele kelken van morning-glories en het serafijnen kant van Queen Anne's.
Precies toen zag hij de vlinder, zittend op een blad als een nerveuze vlag. Ze was hem gevolgd naar hier. De openende panelen pulseerden met zijn kloppende bloed,
de vleugelvormige palmen in hun gespeelde gebed voor ze zich verwijdden, als de ogen van Maud's scharen langs de zoom. Was hij veroordeeld haar te zien
elke keer als er een opfladderde in Maud's tuin? Wat wilde ze? Dat Historie haar verbande om haar diefstal van de gele japon? Had ze behoefte aan zijn vergeving?
Na een tijdje werd het geluk steeds zwaarder. Alleen de doden verdragen het in het paradijs, en het voelde zelfzuchtig zo lang. Het leek hem of
de levenloze, gele panelen waren geschilderd met haar ogen. Er is teveel armoede onder ons. Elke bladzij bepaalt zijn begrenzing. Elke wortel heeft een verhaal.
"Het is zo kalm. Het is als Adam en Eva opnieuw," fluisterde Maud. "Vóór de slang. Zonder alle zonde" En hun vrede was zo diep, ze zaten in de Rover
te luisteren naar de bamboe. Hij startte de motor en de schokten hobbelend over de trenzen, slingerden op de kreunende veren naar beneden, de platte werkelijkheid van de wereld.