omeros/boek1_hoofdstuk10_deel2.md
Shautvast bbdf70ba64 11-1
2024-09-01 21:19:18 +02:00

129 lines
5 KiB
Markdown

II
Zodra de regen voorbij was, namen ze de olijfgroene Rover
en reden over het glimmende eiland, over heuvels met rode vegen
frisse immortelles en oude dingen om te ontdekken;
de diepgroene bergen verborgen Afrikaans ogende dorpen
die door de eeuwen hun hutjes met blik hadden bedekt,
en een stenen kerk opgericht, totdat in fases
de hutjes de randen waren afgekropen en stadjes werden.
Dit was hoe Historie het zag. Hij bestudeerde de weg
die zij bood. de straten met gaten, heldere stroompjes,
die samenvloeiden in bruine lagunes, waar gevallen
van bilharzia uit zouden breken bij kinderen wier darmen
door de haakworm bevolkt werden. Mooie gevaarlijke kreekjes.
Hun verleden was plat als een postkaart, en hun toekomst,
een mooiere plattere postkaart, drukte de schema's
van reisjes met gegarandeerd uitzicht op armoe.
In de rafelige borstels van de voorbije storm voelde hij zijn
eigen gevlekte kop met plukken dunner wordend haar,
maar zonlicht brak door de mistige afgronden
met een dubbele regenboog als kroon op La Sorcière,
de priesteres als berg met een hoofddoek van madras
en flitsende brilleglazen. Ze noemden haar Ma Kilman
want het dorp werd verduisterd door hun geloof
in haar als bewaakster, sybille, obeah-vrouw
spin in het web van kennis van het hiernamaals
in haar gebarsten bril. Ze ging ter communie
soms samen met Maud, maar er was een oude Afrikaanse
twijfel die weifelde voordat ze het witte wafelblad nam.
De Rover jengelde over de Morne totdat ze beneden
een stuk zonbeschenen asfalt zagen, het gapende gat
van de vallei die Cul-de-Sac heette en de wazig blauwe
gekartelde toppen. Een lucht, volgeladen als een spons,
depte dan droogde de vechtende druppels van vocht
op de gevelde bananen die naar stront stonken
in de nieuwe modder; maar de irrigatie kanalen waren
kreken van licht en de ovale plassen kleine
door de banden uit elkaar gespatte spiegels van blauwende wolken,
die haast onmiddellijk herstelden in hun weerkaatsende glas,
totdat de groene verwoesting van de storm er niet meer toe deed,
en er op de fonkelende weg alleen maar genegenheid was
toen ze zagen hoe het zonlicht de daken van Roseau's
oude suikerfabriek opnieuw definieerde. De weg klom langs de baai
en een koele bries vlocht de bamboe als riet,
bewoog hen met lichte tongen omlaag naar Anse La Raye,
verwachtingsvol kwetterend naar de jonge sprieten
die zouden groeien uit de storm. Hun plezier werd versterkt
door de jongens op de weg die met halfnaakte kreten
bananen verkochten, totdat de bochten rechter werden
en hen naar adem deden snakken tegen de vochtige bomen,
tot anderen opsprongen uit het gras voorbij de volgende bocht;
de zee verwijdde zijn blauw rond Canaries,
en de weg, kronkelend langs okeren afgronden,
was als een touw dat hen bond, veel sterker nog
dan de orkaan, door zijn azuren stiltes,
zoals lianen knopen hun onscheidbare ranken
soms rond twee stammen, of een mast met blaadjes
in het hart van een woud, door elke ader verbonden,
geworteld in het eiland voor de rest van hun tijd.
De hoorns van het eiland waren toppen, gespleten
door een vulkanisch massief. Door de varens lag Souffrière
te wachten onder rokende bronnen, een teken voor de donder
van de doden. Het was een plaats waar een oude angst
sterker werd als hij naderde. Putten met kokende lava
borrelden in de Malebolge, waar de met modder bedekte doodskoppen
klommen, vermenigvuldigend in hun hoofden, steeds maar weer
terwijl zirkoongas uit de pijpen langs de kale heuvels steeg.
Dit was de poort van zwavel waar hij doorheen moet,
verzengt zijn geheugen, ook al houdt hij zijn neus dicht
totdat de stank vervaagde in een groenige vrede,
het is als lichamen tellen in de kalkputten van Auschwitz.
De wond sloot in rook, tot de wind hem weer opende,
een geyser spoot zijn gas door een gapende spleet
zoals stoom plotseling van onder de motorkap siste
met de dop van de radiator, verschroeit zijn gezicht
als hij niet wegsprong. Hij vulde de koelring
met water van onder de varens. Ze klommen verder
rond grotere en groenere varens, hun brede blad
groot als een transportband, langs de oude zwavelmijn
met zijn roestige wiel en trossen lianen,
waar zijn landgenoten Bennet & Ward
in 1836 weer naar Engeland trokken en
jungle en belastingen hun wilde onderneming overgroeiden.
Hun onderneming lag onder onder kransen begrafenismos.
De tanden van een gigantisch wiel onder de roest. Hoe was het mislukt?
Ruzie over geld? Was er één ziek geworden,
en bazelde hij, geel als een blad, in zijn delier
over een alchemie, die de zwavel veranderde in goud,
terwijl zijn partner het koude zweet van een droom
van zijn voorhoofd veegde? Hadden ze een nieuw aanbod gehad,
ergens aan de uiterste grenzen van de vrijheid
en het vrije ondernemerschap dat het imperium bood?
Wat was hun krachtbron? Hoe zouden ze het mineraal
onttrekken aan de mijn en vervoeren? Vervoeren waarheen?
Of was hun geld aan het eind simpelweg op,
tot koortsgras en jungle het idee overgroeiden
en hun enige rijkdom onkruid was? Hij zag de raderen
knarsetanden in de zwavel die er nog altijd lag.