2.9 KiB
II
Waarom hij hier was, vroegen hem vanuit hun koralen paleizen
pauselijke schildpadden, en ze zwaaiden hun met
ringen bezette peddels, gewenkt door nieuwsgierige dolfijnen
met hun vriendelijke zwarte huid. Waarom? Stelden de zeepaardjes
van glas hun krullende vragen. Wat op aarde zocht hij,
terwijl zijn leven daarboven toch goed was? Zeemossen
schudden bozig hun baarden, als ceders onder de zee,
waar hij het donkere water betrad. Was liefde niet meer waard dan
munten van licht dat je zag stralen door de deuren van het galjoen?
In het beenderrijk van het koraal versteende zijn huid.
In die schimmentuin zwaaiden gigantische waaiers
en vingers van zeewier bedekten de ogen
van munten met het profiel van een Iberische koning;
hier was het modder op de bodem, niet het golvende zand
dat je zijn ribben liet zien; hier hadden muterende vissen
gapende oogballen; in die wereld zonder geluid
zogen ze op het witte koraal, leegden het als bloezuigers,
en wat op rotsen leek ontsprong aan de scharen van krabben.
Deze wereld was niet bedoeld voor de levenden dacht hij.
De doden gebruikten geen geld, zoals hij, maar misschien
wilden ze wat hun handen gebracht hadden niet afstaan.
De resten van de oceaan kwamen langs uit lijken
die de oversteek niet hadden gehaald, hun haar als wier,
hun botten lange vingers van koraal, bubbels als ogen
bekeken hem, hun hersenkoraal gorgelt hun woorden,
en elke borreling bevatte een biografie,
niet minder dan de mond van een wijnfles, maar voor Achille,
die de rottende bodem betrad van de Caraïbische Zee,
woog geen enkele munt op tegen het diepe kwaad.
Het losgeld van eeuwen scheen door de mossige deuren
dat de maanblinde cycloop telde, elk tentakel
doorzocht de daalders, tastend met zijn zachte kaken.
Licht plaveide het dak met zilver met iedere golf.
Toe zag hij het galjoen. De zwaaiende cabinedeuren
waaierden scholen zilvermakrelen. Hij ving een glimp
van het geld in hun schubben, dan de schaduw tentakels
die een miezerige muntoogst bijeengraaiden.
Hij ontknoopte de steen en steeg op. De volgende dag
was het zicht slechter, haar wenkende tentakels, totdat het wrak
was verdwenen met alle hoop op Helen. Alweer was een wulk
zijn beloning, zijn rijkdom een zeeschelp. Nu was zijn
hoofd iedere dag helder als de de zee, rukte kanten waaiers
uit het verboden koraalrif, of hij volgde een rog
die dreef als een crucifix, doorboord door zijn speer,
en hij bewaarde de schelpen, die hij zelf had vedronken.
En hoewel hij het geloof verloor in sprookjes over schepen,
vormden zijn wenkbrauwen nog altijd een anker met een frons
want zij was een schim nu, een ribbige verschijning,
hij wist niet waar ze was. Hij zou haar niet vinden.
Hij dacht aan witte doodshoofden, als dobbelstenen
rollend door de hand van het tij, hun geluk was het zijne;