2 KiB
III
Ze dacht: ik had een droom van dit huis met een bos eromheen,
met bomen uit een boek en bloemen die ik nog nooit had gezien.
Deel van een kazerne, zonder het lawaai eromheen
maar cicades die kwetterden net als mijn naaimachine.
Ik hield van jong teakhout met lijven glimmend als berken
in licht dat sproeten maakte op de luipaardschaduw van het pad,
zwaluwen zouden in de avond met hun zigzaggende steken
de zijden lucht borduren, of pronken rond het vogelbad
Ik zag het toen we hier kwamen. Onbenaderbaar
klif aan de ene kant, maar zijn richels een broedplaats
voor vouwende reigers en meeuwen, en mijn teakhouten tafel
met poten als leeuwenklauwen en zijn gepolijste blad
bedekt met fijn geschulpt linnen, wit als het schuim van de zee,
en klinkend kristal, met verse kransen van orchideeën
als op de Herdenkingsdag, aan de voet van mijn kandelaar van messing
ter ere van Dennis vooral, en de plaatskaartjes
naast het porcelein van mijn grote lelieblad borden.
Heb ik piano gespeeld, om aan dinerkaarsen te denken
en vlaggen en lansen, sinds we door de bruidskapel schreden
onder gekruiste zwaarden? Daarna, mijn terrine met forse grepen
in de handen van Helen, haar mutsje wit als mijn servetten
die in de vergulde houders zaten. Ze zette het recht,
en stapte terug in de schaduw, die paste bij haar fijne huid.
Ach wat jammer, dat meisje! Ik schepte de geurige damp
van mijn stoofpot in flinke porties, het duister vol vuurvliegjes
die de blaadjes nooit vangen. Het is zo helder als een droom
maar echter. Nou, zo hebben mensen eeuwen geleefd,
met kaarsen en deuntjes op de piano,
liefdesliedjes vervagend over een zee van vuurvliegjes,
hun monden rond als de maan boven een zwarte kano
zoals die ene waar ik vandaag om moest lachen: In God We Troust.
Maar ja we vertrouwen allen op Hem, en dat is waarom we
de vrede kennen van een rondzwervend hart, als het een huis vindt.