2.4 KiB
III
"Omeros," lachte ze. "Zo noemden we hem in het Grieks,"
zijn kleine buste strelend, met de gebroken neus als een bokser,
en ik dacht aan Seven Seas, die in de stank
van drogende visnetten de klank van het strand beluisterde.
Ik zei: "Homeros en Vergilius zijn boeren uit New England",
en het gevleugelde paard bewaakt hun pompstation, inderdaad."
Ik aaide een arm en voelde de blik van het schuimende hoofd
koud als het marmer en haar schouders in het winterlicht
in de zolderkamer. Ik zei "Omeros,"
en O was de roep van de karko, de zeeschelp, mer was
moeder en zee in ons Antilliaanse patois,
os een grijs bot, en de witte branding die breekt
en een schuimkraag verspreidt op een kust van kant.
Omeros was de krak van droog blad en het sissen
dat echode uit een grotmond bij eb.
De naam bleef in mijn mond, ik zag het licht in een web
op haar aziatische wangen, dat haar ogen tekende
met de omtrek van een zwarte amandel. Antigone draaide zich om
en zei: "Ik ben moe van Amerika. Ik wil weer naar
Griekenland. Ik mis mijn eilanden." Schrijf ik. Het brengt
de manier terug waarop ze de zwarte golf van haar haar schudde.
Ik zag de branding kanten patronen prenten
op de kust van haar nek en de neerwaartse stroompjes
van zijde gekruld aan haar enkels, als branding zonder geluid
en voelde een ander koud beeld, niet het hare maar die van jou
zag dit met stenen amandelen als ogen, zijn gebroken neus
is afgewend, en de ruisende zijde stemt in.
Maar als het tussen de regels kon lezen van haar vloer
als een wit heet dek, verweerd door de Antilliaanse hitte,
naar het duister ertussen, zou zijn neus schroeien
door de stank van geketende enkels, de geboeide voeten
schrapend als bladeren en misschien zou het onschuldige
marmer
zijn witte zaden afgewend hebben. De afstand vergroten
tussen zijn mond en de horror onder haar tafel
voor de lier op de stoel gehuld in een witte tuniek
om te doen wat het verleden altijd doet: lijden en staren.
Ze lag kalm als een haven en een wolk bedekte haar
met mijn schaduw. Toen verscheen langzaam een boeg
met geschilderde ogen uit de geurige regen van zwart haar.
En hoorde ik de holle klank geblazen uit een vaas,
niet voor koningen, struikelend in sperenregens;
kortaf proza van vissers, vloekend over hun kano's.