81 lines
3.2 KiB
Markdown
81 lines
3.2 KiB
Markdown
deel 2
|
|
|
|
Achille keek op van het gat dat de laurier achterliet.
|
|
Hij zag het gat zacht helen met het schuim
|
|
van een wolk als een breker. Toen zag hij de vlugge zwaluw
|
|
|
|
surfend over de branding-wolk, een klein ding, ver van huis,
|
|
verward door de golvende blauwe heuvels. Een doornstruik
|
|
greep zijn hiel. Hij rukte zich los. Om hem heen werden meer schepen
|
|
|
|
gevormd door de zaag. Met zijn kapmes maakte hij
|
|
vlug een kruis, zijn duim raakte zijn lippen
|
|
terwijl de bijlen de hoogte in rinkelden. Hij zwaaide het ijzer,
|
|
|
|
en hakte de armen van de dode god, knoest na knoest,
|
|
wrikte de aders los van de stronk terwijl hij bad:
|
|
"Boom! Jij kunt een kano zijn. Of anders kun je het niet!"
|
|
|
|
De bebaarde ouderen verdroegen de decimatie
|
|
van hun volk zonder een woord te uiten
|
|
in de taal die ze spraken als één natie,
|
|
|
|
de taal die ze hun jonge scheuten leerden: van gebabbel in de torens
|
|
van de ceders tot groene klinkers van de _bois-campēche_.
|
|
De _bois-flot_ hield zijn mond net als de _laurier-cannelle_,
|
|
|
|
de roodhuidige _logwood_ verdroeg de doorns in zijn vlees,
|
|
terwijl het Arowakse dialect krakeelde in de geur
|
|
van een harsig kampvuur dat de bladeren bruin kleurde
|
|
|
|
met krullende tongen, dan as, en hun taal ging verloren.
|
|
Als barbaren die over de zuilen stappen die ze gevloerd hebben
|
|
schreeuwden de vissers. De goden waren eindelijk gevallen.
|
|
|
|
Als dwergen hakten ze de stammen van gerimpelde reuzen,
|
|
voor peddels en riemen. Ze werkten met dezelfde
|
|
concentratie als een leger vuurmieren.
|
|
|
|
Maar woedende muggen, kwaad door de rook
|
|
voor het onteren van hun bos, bleven Achille steken.
|
|
Hij wreef rum op zijn polsen opdat ze
|
|
|
|
platgeslagen tot sterren tenminste dronken zouden sterven.
|
|
Ze gingen voor zijn ogen. Omsingelend in een aanval
|
|
die hem tot blinde tranen dreef. Hij trok zich terug
|
|
|
|
naar de hoge bamboe als de Arowak schutters
|
|
vluchtend voor de musketten van krakende stammen
|
|
geleid door het vuur en de woedende bijl
|
|
|
|
die hakt op de takken. De mannnen bonden de dikke stammen eerst
|
|
met verse hennep en rolden ze als mieren naar een klif
|
|
om langs de hoge netels neer te storten. Ze kregen die dorst
|
|
|
|
naar de zee vanwaar hun bebladerde lijven waren geboren.
|
|
Nu ploegden in hun haast om kano's te worden
|
|
de stammen door golfbrekers van struiken, en maakten gaten
|
|
|
|
van keien, ze voelden geen dood in zichzelf, maar nut -
|
|
de zee te bedekken, rompen te zijn. Dan, op het strand, kregen ze
|
|
houtskool in hun holtes, uitgehakt door houwelen.
|
|
|
|
Een oplegger had hun gebonden lijven gedragen.
|
|
Het smeulende houtskool doorboorde dagenlang de korjalen
|
|
totdat de hitte het hout wijd genoeg had gemaakt met spanten en boorden.
|
|
|
|
Onder zijn kloppende beitel voelde Achille hun holtes
|
|
ademen om de zee te voelen, reikend naar de waas van
|
|
vogels op een zandbank, de snavels van hun gekliefde boegdelen.
|
|
|
|
Toen paste alles. De bootjes kropen over het zand
|
|
als honden met een tak in de bek. De priester
|
|
besprenkelde hen met een klok. Toen maakte hij het zwaluwteken.
|
|
|
|
Toen hij lachte om Achilles kano, _In God we troust_,
|
|
Zei Achille: "Laat het! Het is God's spelling en de mijne."
|
|
Na de mis, op een morgen, enterden de kano's de laagten
|
|
|
|
de ondieptes in koorhemd en hun knikkende korjalen
|
|
kwamen overeen met de golven hun leven als boom te vergeten;
|
|
één diende Hector, een ander Achilles.
|