II
Hector was niet bij Helen. Hij was bij de zee,
hij moest achter zijn kano aan, want het touw van het anker
was los, maar de zwarte regen tuimelde zonder genade
de boeg terug in de golftroggen en hij zocht tastend
de landvast, en in de bruine, met noten bezaaide trog
liep de boot onder en smerig water draaikolkte rond zijn voeten;
hij zag hoe elke golf crashte. Water spatte hoog als een huis!
Dan de lange harde kanonslag van donder die erachteraan brak,
hij zag door de regen het land niet, maar dacht dat het niet ver was
van het zanderige water, en toen werd hij bang,
toen hij zag dat hij de vuurtoren al bijna voorbij was
die in de vlagen bleef draaien, zonder het anker, de boot
bijna kapseizend, verplaatste hij zijn gewicht,
peddelde hard met een riem om te keren
maar hij peddelde lucht, de golftoppen bruinig-wit,
kolkend met afgerukte palmbladen; hij stond op met de riem,
op de kielplank wiegend, en zat, zijn ziel nat
en rillend. Hij kroop naar de boeg, en dook richting de kust,
maar werd geraakt door het draaiende achterdek, dus dook hij onder
de rommel om kalmte te vinden en diepte, maar hoe meer
hij dook, hoe harder de golven hem tolden, donder
en bliksem kraakten en hij zag hoe de kano ten onder
ging zonder verdriet; bereed een tijdje een trog
peddelend op zijn rug, om het ritme te tellen
van de golven, gleed toen een langzaam zwellende muur af
als een surfer: toen hij het metrum begreep, kon hij zwemmen
met de afnemende branding, niet tégen de wil van de zee,
liet zich rollen als het verkoos, zelfs als het koos
hem te behandelen als afval; toen voelde hij het schuren
van fijn zand en kwam wankelend overeind op het strand.