III
_"Mais qui ça rivait-'ous, Philoctete?"_ - _"Moin blessé"_
"Maar wat is aan de hand met jou, Philoctète?" - "Ik ben gezegend
met deze wond, Ma Kilman, _qui pas ka guérir piece.
Die niet meer overgaat." "Nou doe rustig aan.
Ga naar huis en ga liggen, geef die voet een beetje rust"
Philoctète, zijn broekspijpen opgerold, staart naar de zee
vanuit het verweerde raam van de shop. De jeuk aan de wond
tintelt als de tentakels van de anemoon
en de gesprongen blaar van een Portugees oorlogsschip.
Hij geloofde dat de zwelling van de geketende enkels
van zijn grootvaders kwam. Hoe dan, ging het niet over?
Dit kruis dat hij droeg was niet alleen van het anker
maar van zijn ras, voor een dorp arm en zwart
als de varkens die wroetten in brandende hopen
en vervolgens in het slachthuis hingen aan ankers.
Ma Kilman naaide. Ze keek op en zag zijn gezicht
wegkijken van het wit van de straat. Hij wachtte
tot hij in slaap viel op de tafel. Dat ging dagen zo door.
Het ijs werd warm water naast de zelfhaat
in het gebaar met zijn hoofd in zijn handen geklemd. Ze
hoorde de jongens naar school gaan in hun blauwe uniforms,
ze schreeuwden naast zijn armen. "Fieloh! Fielosofié!"
Een mummie gebalsemd in Vaseline en alcohol.
Ze fluisterde zacht in de Egyptische stilte:
"Er is een kruid ergens, een medicijn en de manier
waarop mijn oma die kookte. Ik bekeek altijd de mieren
die op de witte plantenpot klommen. Maar, God, waar was dat weer?"
Waar was die wortel? Welke kassie, welke warme kruidendrank
kon deze vertakte rivier van zijn vuile bloed reinigen,
het sap van een gewonde ceder? Wat betekende het,
deze naam die als een ziekte klonk? Eén goeie klap
van zijn kapmes in de tuin sloeg de verdomde naam los
van de rottende yam. Hij zei _"Merci"_. En hij vertrok.