II Voor Plunkett kwam met dit schijtweer de wanhoop, van de doorzeurende stormen van juli, totdat de boerderij langzaam tot stilstand kwam. Dit jaar was de regen een onverroerbaar woud, de vertakte lucht groeide omlaag als mangrove, of immense banyanbomen. De lampen wiebelden zachtjes van het dak van de stal, met plakkende snoeren vol vliegen, totdat hij zoals allemaal de buien beloerde, hij haatte de stilte die ieder voor zich over de arbeiders hing, als hun werk weer klaar was. Hij begreep dat ze hem nooit anders zouden bekijken dan als hun baas. Zíjn dak hing boven hun hoofden terwijl ze mismoedig de regen bekeken die de opgehoopte grond in de tuinbedden van Maud verspoelde, hun ogen glazig en mistig van één of andere vergeten pijn van de witte puinhopen van lelies, de druipende planken van touwdraaiend water dat blies van de lekkende stal, terwijl Maud binnen borduurde op haar tapijt met vogels in het lamplichte huis dat elke gestrekte windvlaag verder van hem blies. Hij zag haar achter het raam en voelde dat ze wegdreef, precies als de geest van het verdronken galjoen. Hij stiefelde naar huis. Hij bleef in het huis. De rode kat stond met zijn poten tegen het garenspinnende raam. Varkens naar de slachter als infanterie die is afgemat van schoppen en sloten. en lelies, gek van de regen, kozen de dood in het water als zwangere maagden in Victoriaanse romans. Maud redde er enkele. In hoed en gele regenjas, boog ze over hun bedden als de miezer wat zakte; maar dan werden de bedden weer donker, de miezer trok aan en werd een nog zwaardere stortbui dan eerst. Bomen en elektriciteitspalen vielen. Licht ging aan in het huis. Een winter belegerde hen met slappe kranten en thee. Voorbij de orchideeën bekeek ze de grijze sjalen van buien achter het grauwe gazon, aflopend richting de grauwe zee. Onder de traanvormige lamp van kristal afkomstig uit Ierland, brommend dan stil en weer brommend. Ze schikte de bloemen die ze gered had in vazen met haar nerfaderige handen. Seychellen. Zeeschelpen. Hij bezag haar en dronk met slurpende slokken waar ze gek van werd, zijn thee. Hij was razend als de moesson, als ze een dom riedeltje op de piano begon bijvoorbeeld "Bendemeer's stream", elk akkoord overgroeide het huis met giftig jeukend onkruid. Hij propte zijn pijp vol, zette er er zijn tanden in, en in een vlaag rauwe razernij stortte zich op de ongesluiderde piano en ramde de klep dicht, miste haar vingers. Maud wachtte. Ze sloot de bladzij van _Airs from Erin_ en, heel voorzichtig, legde hem uit het zicht onder het fluweel van de kruk van de piano, streek langs hem heen met haar sluier, en beklom de langzame trap, wreef aan haar vingers. Geen zot zo gek als een ouwe, brieste de majoor. Tranen stroomden langs het raam, maar niet in zijn oog. Wanneer? Het was de oude wond in zijn hoofd. Onzin. Makkelijke smoes. De oorlog haalde hij er nooit bij. Het was als de zonde in het paradijs. Toen hoorde de majoor iemand zachtjes kloppen. De stem zei: "Majoor? Majoor, wij gaan," en ging. De rode kater ontwaakte op de donkere sofa. Hij pakte hem voorzichtig, zette hem bij het raam om deze wereld te bekijken zoals hij het zelf niet meer deed. Met volgelopen hart ging hij naar boven, stil door de deur. Ze sliep. Maar nooit met haar armen over haar ogen. Door verdriet overvallen zat hij op het bed, en toen huilden ze samen, de vergevende regen van wie echt lief hebben gehad. Het voelde zo lang als het hele seizoen, en toen werd het droog.