III Wachtende op de rekening zat ik op het witte terras.
Onze ober in een zwarte strik ploegde door het zand
tussen de volle dekstoelen, stuiterend op disco muziek uit de speakers, een blad zeilde in zijn hand.
De toeristen draaiden rond het spit en grillden hun
rug. De ober had het niet makkelijk met zijn leren zolen. Ze gleden van steeds van het duin
maar zijn blad wiebelde zonder morsen van gin-en-lime
op een gebraden rug. Het stond voor hem vast dat hij de eisen van het strand als een Lawrence of St. Lucia
zou halen, alleen sjokte hij richting een liter
zelfbewuste champagne. Zoals elke geboren loser schopte hij al gauw de emmer omver. Zette zijn blad neer,
veegde het zand van het ijs, mikte de blokjes in de
emmer, en vervolgens de fles; nadat dit gelukt was leek hij klaar om de tieten van de vrouw terug te duwen
in haar beha, onder de ogen van haar woedende man die kookte
als een sheik in een theedoek. Lawrence keek op naar een geest. Dat was het moment dat ook ik opkeek richting het dorp,
en zag, door de gekooide draden van de middaglucht
een strand met kruipende tijger; het fantoom loste op en een vrouw verscheen in kleurige hoofddoek
maar het hoofd trots, hoewel het op zoek was naar werk
Ik wilde deze schoonheid bezingen die verdween als een schip onder groter wordende ogen
"Who the hell is that?" vroeg een toerist naast mijn tafel
aan de serveerster. En die zei: "Zij? Vrijpostig!" Terwijl de gebeeldhouwde ogen van het onvoorstelbare
ebbenzwarte masker tevoorschijn kwamen uit de katoenen wolk,
sneerde de serveerster, "Helen." En daar begon alles.